Alternatieve geschillenoplossing

Geachte mevrouw / geachte heer,

Het Gerechtelijk Wetboek (artikel 444, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek) en de Orde van Advocaten, verplicht (terecht) de advocaat om de rechtzoekende te wijzen op alternatieve geschillenbeslechting: zoals bijvoorbeeld klassieke rechtstreekse onderhandelingen, collaboratieve onderhandelingen, de minnelijke schikking door de rechter, bemiddeling, bindende derdenbeslissing of arbitrage. Het gaat om aangepaste geschiloplossingsmethoden, die gerechtelijk of buitengerechtelijk kunnen zijn.

U behoudt uiteraard het recht om uw geschil voor te leggen aan de rechtbank. 

Wij melden u dat ook de rechtbank de partijen op de inleidingszitting kan bevragen over de wijze waarop zij voorafgaand aan de gerechtelijke procedure geprobeerd hebben het geschil minnelijk op te lossen (artikel 730/1, §2 Ger. W.). Het is ook mogelijk dat de rechtbank in dat verband uw persoonlijke verschijning beveelt. De rechtbank kan bovendien in bepaalde omstandigheden zelf een bemiddeling bevelen.

Meer informatie over al deze mogelijkheden kan u terugvinden op de website van de Orde van Vlaamse Balies.

Mocht u met betrekking tot dit alles nog vragen hebben, dan kunt u steeds met mij contact opnemen.

Met vriendelijke groeten,

Corvus Advocaten

Artikel 444 van het Gerechtelijk Wetboek

  De advocaten oefenen vrij hun ambt uit ter verdediging van het recht en van de waarheid.
  Zij informeren de rechtszoekende over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen. Indien zij van mening zijn dat een minnelijke oplossing van het geschil overwogen kan worden, trachten zij die in de mate van het mogelijke te bevorderen.
  Zij moeten er zich van onthouden enig ernstig feit tegen de eer en de faam van personen aan te voeren, tenzij dit voor de zaak volstrekt noodzakelijk is, onder het voorbehoud van tuchtrechtelijke vervolgingen en toepassing van artikel 445 indien daartoe grond bestaat.

Artikel 730/1 van het Gerechtelijk Wetboek

§ 1. De rechter bevordert in elke stand van het geding een minnelijke oplossing van de geschillen.

§ 2. De rechter kan, op de inleidingszitting of tijdens een zitting bepaald op een nabije datum, de partijen bevragen over de wijzewaarop zij voorafgaand aan het geding gepoogd hebben het geschil minnelijk op te lossen en hen inlichten over de mogelijkheden omdaar alsnog toe over te gaan. Daartoe kan de rechter de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen.

Op vraag van een van de partijen of indien de rechter dit nuttig acht, kan hij, zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, behoudens in kort geding, op diezelfde inleidingszitting of op een zitting bepaald op een nabije datum, de zaak verdagen naar een vaste datum die een maand niet mag overschrijden, behoudens akkoord van de partijen, teneinde hen in de gelegenheid te stellen om na te gaan of hun geschil geheel of deels op minnelijke wijze kan worden opgelost en om daarover alle nuttige inlichtingen in te winnen.

De in het tweede lid bedoelde maatregel kan niet worden bevolen indien hij reeds werd bevolen in het kader van hetzelfde geschil.